Leven in water.

Aan de hand van foto's van dieren uit een bijzondere verzameling uit het Museon, onderzoek je de kwaliteit van het water van een sloot van vroeger. Je leert niet alleen veel nieuwe dieren kennen. Je leert ook wie wie eet onder water en waarom slootjes en plassen schoon moeten zijn.

In proefjes onderzoek je waarom sommige insecten alleen van schoon water houden, ga je op jacht met je zelfgemaakte waterdierenval en onderzoek je een sloot in de omgeving van je school.

Veel plezier met deze verrijkingsstof!

Bruine duiker (Foto: U Schmidt)
Bruine duiker (Foto: U Schmidt)

Welke dieren ken je al?

Wat is het verschil tussen een pad en een kikker? Heb je weleens gehoord van een geelgerande waterkever? En van een schaatsenrijder in de zomer?

Hieronder staan zes dierenvragen. Weet jij de juiste antwoorden?

Geelgerande waterkever (Foto: U Schmidt)
Geelgerande waterkever (Foto: U Schmidt)

Een larve wordt volwassen.

Een libelle begint zijn leven in een ei. Uit het ei komt een larve. Om te kunnen groeien moet een libellelarve steeds vervellen. De huid van de larve scheurt open en daaronder verschijnt een nieuwe huid. Als de huid nog zacht is kan de larve groeien. Bij de laatste vervelling van een libellelarve komt de volwassen libelle te voorschijn.

In de fotoserie hieronder zie je hoe een libellelarve voor het laatst vervelt. Aan het eind zie je heel mooi hoe de libelle zijn slappe vleugels oppompt en deze in de zon laat drogen.

Van larve tot libelle. Fotoserie: Yaco Joven

Het onderzoek.

Was een sloot in Den Haag in 1984 vies of schoon? Dit ontdek je door onderzoek aan de bijzondere verzameling Zoetwaterdieren Zuid-Holland van het Museon. Je zoekt uit welke dieren toen gevangen zijn en hoeveel. Zo bepaal je de waterkwaliteit.

Een kijkje in de verzameling in het Museon.
Een kijkje in de verzameling in het Museon.

Een bijzondere verzameling.

In de kelder van het Museon in Den Haag staat een bijzondere verzameling zoetwaterdieren. In potjes zitten 25.000 waterinsecten, 8.000 schelpdieren en 2.000 soorten wormen.

Deze waterdieren zijn gevangen in Zuid-Holland in 1984. Er zitten ook dieren in die daar nu niet meer voorkomen. Door deze verzameling te vergelijken met waterbeestjes van nu kun je zien of het waterleven verandert. Je kunt zelfs bepalen hoe vies of hoe schoon het water toen was. Daarom is de verzameling zo bijzonder.

Enne, wat zit er nu in die potjes? Ga met je muis over de foto. Bij de potjes waar een tekst verschijnt, kun je het dier zien door er met de muis op te klikken.

Hoe heten de waterdieren?

Hieronder zie je tien foto's van waterdieren uit de Haagse sloot uit 1984. Als je op een foto klikt wordt deze vergroot. In deze opdracht onderzoek je hoe de waterdieren heten. Dit doe je zo:

Print hier het antwoordblad

Print hier de zoekkaart waterdieren

– Op de zoekkaart zoek je de naam van het dier op de foto.

– Noteer de naam van het dier op het antwoordblad.

– Doe dit met alle dieren op de foto's.

– Noteer op het antwoordblad hoe vaak een dier gevangen is.

De waterkwaliteit van de sloot.

Sommige soorten waterdieren kunnen alleen in schoon water leven. Andere waterdieren kunnen in schoon en vies water leven. Een haftenlarve kan alleen in heel schoon water leven; een rattenstartlarve kan in vies, maar ook in schoon water leven (zie de blokken hiernaast). De waterkwaliteit van een sloot kun je dus bepalen door goed te kijken welke diersoorten in de sloot voor komen. Veel haftenlarven in de sloot betekent dus een goede waterkwaliteit. Alleen rattenstaartlarven betekent een slechte waterkwaliteit.

 

In de volgende drie opdrachten bereken je de waterkwaliteit van de sloot.

1 Het aantal verschillende waterdieren.

- Tel op je antwoordblad het aantal verschillende waterdieren dat in de sloot gevangen is.

- Zoek in de onderstaande tabel het cijfer dat hoort bij het aantal verschillende waterdieren.

- Vul het cijfer in op je antwoordblad.

2 Welke waterdieren?

De waterkwaliteit van een sloot hangt af van hoeveel verschillende dieren je in een sloot vindt. Dit heb je in de vorige opdracht bepaald. Je hebt daarvoor een cijfer gevonden in de tabel.

Voor het bepalen van de waterkwaliteit moet je ook weten welke waterdieren in de sloot leven. In de volgende tabel bepaal je een tweede cijfer voor de waterkwaliteit van de sloot.

Let goed op: je leest deze tabel van boven naar beneden. Als je bijvoorbeeld twee soorten haftelarven hebt, vul je een 5 in. Je bent dan klaar. Heb je nul soorten haftelarven, dan kijk je verder bij larven van kokerjuffers, enzovoort.  Noteer het cijfer op je antwoordblad.

3 De kwaliteit van het water.

Tel de cijfers uit de vorige opdrachten 1 en 2 bij elkaar op. Dit cijfer geeft de kwaliteit van het water aan. Kijk daarvoor in de tabel hieronder.

Vul je antwoord in op je antwoordblad.

In sloot en plas.

De tekening hierboven is een oude schoolplaat uit 1930, uit de collectie van het Museon. In die tijd vertelde de juf of meester in de klas een mooi verhaal over de planten en dieren op de tekening. Ze vertelden hoe de dieren en planten heten, wie door wie werd gegeten, wat de planten en dieren met elkaar te maken hadden en dat sommige dieren op de tekening er later totaal anders uit zouden zien.

In de volgende opdrachten ontdek je wat de meesters en juffen uit 1930 te vertellen hadden over het leven in sloot en plas.

Dieren tellen en meer.

Hieronder zie je weer de schoolplaat. Je kunt met de cursor over de schoolplaat schuiven. Als je op een plant of dier blijft staan springt een tekst tevoorschijn. De teksten helpen je (soms!) de volgende opdrachten beantwoorden.

Een mens verandert van baby tot volwassene erg van uiterlijk. Kikkers veranderen tijdens hun ontwikkeling van kikkervis tot kikker ook van uiterlijk.

Wie eet wat?

De watersalamander eet een muggenlarve. De eieren van de geelgerande waterkever hingen aan een plant. De kikkervisjes eten kleine plantjes uit het water. Al de dieren en planten die je in de schoolplaat 'In sloot en plas' ziet, hebben iets met elkaar te maken. De teksten op de poster helpen je weer bij de opdrachten.

Proefjes.

Je hebt in de vorige opdrachten veel geleerd over het leven in het water.

Hierna volgen drie proefjes en onderzoekjes die je zelf kunt uitvoeren. Overleg met je juf of meester welke opdracht je in de klas of buiten gaat doen.

Schrijvertje (Foto: U Schmidt)
Schrijvertje (Foto: U Schmidt)

Drijven of zinken?

Een schaatsenrijder staat op het water te wachten. Plotseling raakt een vliegje het water en blijft aan het water plakken. Met een kleine beweging van zijn middelste poten schiet de schaatsenrijder op zijn prooi af: een heerlijk feestmaal om leeg te zuigen. In dit proefje bouw je zelf een schaatsenrijder. Je ontdekt waarom schaatsenrijders blijven drijven en waarom schaatsenrijders van schoon water houden.

Wat heb je nodig?

– een platte schaal of teil met water, minimaal 15 x 20 cm

– drie sluitingen van een vuilniszak

– een schaar

– afwasmiddel

– theedoek


De schaatsenrijder bouwen.

Haal de ijzerdraadjes uit de sluitinkjes. Maak de ijzerdraadjes goed recht. Maak het lichaam en twee paar poten met twee ijzerdraadjes, zoals op foto 1.

Maak het derde paar poten, zoals op foto 2.

Foto 1
Foto 1
Foto 2
Foto 2
Foto 3 (Foto's: GJ Hoog)
Foto 3 (Foto's: GJ Hoog)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Buig nu de poten zo dat het echte schaatsenrijder-poten worden. Buig de uiteinden van de ijzerdraadjes een beetje omhoog, zoals op foto 3. De poten moeten allemaal even hard op de tafel drukken, dat doe je zo: houd je schaatsenrijder iets boven je tafel. Buig de poten zo, dat de poten even ver van de tafel af staan.

Aan de slag!

Zet de schaatsenrijder voorzichtig op het water zodat alle poten op het water blijven staan. Als het niet in een keer lukt, verbuig de poten een beetje en droog de poten telkens af. Het is niet erg als een of twee poten door het water zakken en op de bodem staan.

Staat de schaatsenrijder goed? Doe nu een druppeltje afwasmiddel in het water. Wat zie je gebeuren? Als je de proef herhaalt, spoel dan al het afwasmiddel weg van de schaal en de schaatsenrijder. Maak de poten goed droog.

Hoe komt dat?

In schoon water plakken waterdeeltjes een beetje aan elkaar vast. Dit heet de oppervlaktespanning van het water. De lichte schaatsenrijders kunnen door de oppervlaktespanning makkelijk blijven drijven. Het gaat fout als de waterdeeltjes elkaar loslaten, bijvoorbeeld door zeep zoals een afwasmiddel. De schaatsenrijder zakt door het water als de oppervlaktespanning vermindert. Wanneer zou dit gebeuren in een sloot?

Hoe verandert de oppervlaktespanning als je een andere stof in het water doet? Maak het bakje en de schaatsenrijder goed schoon en probeer het uit.

Op jacht.

Een deel van de waterdiertjes zijn rovers. Je kunt ze dan ook goed lokken met een stukje vlees. Vooral kippenlever is populair bij onderwatervleeseters! Hier leer je hoe je van een petfles een val bouwt. Met wat geluk vang je er verschillende waterdiertjes mee. Probeer de de val dan ook uit in een sloot of vijver.

Wat heb je nodig?

– een stevige petfles

– een puntige schaar

– 1 meter bamboestok

– twee post-elastieken

– een stukje vlees (liefst kippenlever)

– een aardappelschilmesje

– een snijplankje


De val bouwen.

Prik met een schaar in zachtere stukken van de bodem van de fles met veel mogelijk gaatjes. Doe dit voorzichtig: prik hierbij niet in je vingers. Dit worden de luchtgaten. Prik voorzichtig een gat in het bovenste bolle deel van de fles. Knip op dit punt de fles dwars in tweeën (zie foto linksonder). Klem het afgeknipte deel van de fles ondersteboven in de fles. Maak de fles met twee elastieken stevig vast een het bovenste deel van de stok (zie foto rechtsonder). De val is nu klaar voor de jacht.

 

Zo knip je de fles. (Foto: GJ Hoog)
Zo knip je de fles. (Foto: GJ Hoog)
De val is af. (Foto: GJ Hoog)
De val is af. (Foto: GJ Hoog)



Op jacht.

Als je op jacht gaat stop je een aantal stukjes vlees in de val en zoek je een goede plaats voor de val. Liefst een onopvallende plaats, zodat de val niet verdwenen is al je de val komt controleren. De val moet in de schaduw staan, anders wordt het te heet in de val. Zet de val zo diep dat het bovenste deel boven water blijft. De gevangen dieren kunnen dan boven water ademhalen. Controleer de val een aantal maal per dag. Maak tekeningen of foto's van je vangsten en laat die aan de klas zien. Ken je al je vangsten??? Oh ja, enkele grote waterkevers kunnen venijnig steken, oppassen dus! Alle diertjes, ook die mooie kevers, zet je weer terug in de sloot, want dat is hun leefomgeving.

Onderzoek je eigen sloot.

In de maanden mei tot en met half oktober ontdek je in een goede sloot veel waterdiertjes. Met een groepje of met de hele klas onderzoek je in anderhalf uur makkelijk een hele sloot. Je kunt ook meerdere slootjes onderzoeken en de vangsten vergelijken. De waterkwaliteit bepaal je op dezelfde manier als bij de Haagse sloot uit 1984. Het onderzoek werkt het beste in groepjes van drie.

 

Wat heb je nodig?

– een stevig schepnet

– twee witte afwasteilen of fotobakken

– een lepeltje

– een zoekkaart slootdiertjes

– papier, met elastiek aan een plankje vastgemaakt

– potlood

 

Schepnettechniek

Een waterkever die een net ziet aankomen zwemt snel weg. Als je de juiste techniek gebruikt vang je de waterkever wel. Je haalt het net daarvoor een aantal keer flink heen en weer. De meeste dieren ontsnappen dan niet meer.

Zoekplaatsen

Elk dier heeft zijn eigen plek in de sloot. Een libellelarve rust graag uit aan de stengel van een waterplant. Een waterkever jaagt in het open water en een zoetwaterpissebed loopt vaak over de bodem. Zoek daarom met je net in het open water, tussen de waterplanten en op de bodem. Een goede vangst is dan gegarandeerd!

Wat ga je doen?

Doe een laagje slootwater in beide bakken. Na iedere keer flink scheppen zit er een laagje planten en waterdieren in je schepnet. Je herkent de waterdieren en planten pas als je het in een van de witte afwasteilen omkiept. Laat het water tot rust komen en je ziet de eerste beestjes zwemmen. Deze beestjes zet je over in de andere 'schone' afwasteil. Na een tijdje heb je dan een bak vol met waterdiertjes die je goed kunt bekijken.

Zoek de namen van de dieren op de zoekkaart. Noteer de namen op je papier.

Print hier het antwoordblad voor buiten.

Op school bepaal je de waterkwaliteit.

Print hier het antwoordblad voor binnen.

Test jezelf.

Je hebt in deze museumles veel geleerd. Kijk nu maar eens of je de volgende vragen juist kunt beantwoorden. Veel succes!

Schaatsenrijders (Foto: T. Schijvens)

Docentenhandleiding.

Leven in water.

Doelgroep

Groep 7 en 8 basisonderwijs.

Werkvorm

De onderdelen Leven in water, Het onderzoek en In sloot en plas voert de leerling zelfstandig uit met behulp van een computer.

Proefje Drijven of zinken voert de leerling zelfstandig uit op een geschikte plaats in de klas.

Voor het proefje Op jacht bouwen leerlingen zelfstandig een waterdierenval. Het gebruik van de val gaat in overleg met de docent.

Duur

Onderdelen Leven in water, Het onderzoek en In sloot en plas: 2 x 45 minuten.

Proefje Drijven of zinken: 45 minuten.

Proefje Op jacht: het bouwen van de val 45 minuten, de duur vande jacht zelf is naar keuze.

Proefje Onderzoek je eigen sloot: 20 minuten voorbereiding, 2 x 45 minuten buiten en 45 minuten binnen uitwerken van de gegevens.

Doel van de opdracht 

De leerling maakt kennis met met zoetwaterdieren, energiestromen in zoetwater, relaties van organismen onderling, relaties van organismen met hun leefmilieu.

De leerling ontdekt en maakt kennis met organismen en hun leefwijze in een sloot in de leefomgeving van de leerling.

De leerling ontdekt het belang van schoon oppervlaktewater.

Materiaal

Materialen voor de proefjes staan bij de proefjes beschreven.

Materialen voor slootonderzoek zijn naast lokale winkels te verkrijgen bij: http://www.veldwerknederland.nl/

Tip

Deze opdracht kan het hele jaar door gedaan worden. Het slootonderzoek en de eigen waterdierenval heeft echter het meest succes van mei tot en met oktober.

 

Rattenstaartlarven (Foto: J Nijman)

Rattenstaartlarven.

Een rattenstaartlarve is niet de larve van de staart van een rat maar, het kind van een blinde bij. Dat is ook geen bij met een stok en zwarte bril, maar de echte naam van een soort zweefvlieg. Rattenstaartlarven leven het liefst in modderig water met veel rottende planten en dieren, of gewoon in een put met koeienpoep en urine. Aan hun 2 cm lange lichaam zit een adembuis, juist om te adem te halen uit de lucht. De waterkwaliteit van een sloot met alleen rattenstaartlarven kun je wel raden.

Haftenlarve (Foto: Wikimedia)

Haftenlarven.

Dit zijn de prinsjen en prinsessen van het water. Haftenlarven moet je vertroetelen met veel zuurstof in het water. Ze lusten alleen afstervende planten maar ze accepteren absoluut geen spoortje vervuiling in het water waarin ze leven. Na maanden verpoppen ze tot ….. eendagsvliegen. Die moeten snel paren want ze gaan binnen enkele uren dood: eendagsvliegen hebben geen mond en kunnen dus niet eten. De waterkwaliteit van water met haftenlarven is niet moeilijk te raden.

Een schaatsenrijder. (Foto: Y Joven)

Schaatsenrijders en waspoeder.

Schaatsenrijders blijven drijven dankzij de oppervlaktespanning van het water. Oppervlakte-actieve stoffen in een wasmiddel verlagen de oppervlaktespanning van het water in de wasmachine: je was wordt dan lekker schoon. Deze stoffen moeten tegenwoordig afbreekbaar zijn, zodat ze niet in sloten en rivieren komen. Kijk thuis eens op een pak wasmiddel wat er precies in het wasmiddel zit!

De val in actie. (Foto: GJ Hoog)